A speech my brother wrote for the funeral of my father and a poem, written by Jean-Pierre Rawie for his father.
Hier sta ik dan, ik wil ook nog wat tegen je zeggen. Uiteraard ga ik niet over allerlei slap sentimentele dingen praten, dat soort dingen bespraken wij vroeger niet dus zaarom zal ik het nu wel doen.
Laat ik eerst maar vertellen hoe opgelucht ik ben.Je was al vele jaren ziek maar er moeten periodes geweest zijn waarin die ziekte redelijk dragelijk geweest moet zijn geweest. Ook dat vertelde je uiteraard niet, als ik het eens vroeg was het altijd "wel goed". Als je wat levenslustiger was geweest dan was het misschien bij tijd en wijle nog wel prettig geweest. Maar de laatste weken, dagen, uren was het zeker niet prettig. Je lijden was ondragelijk om aan te zien en het einde kon me dan ook niet snel genoeg komen. Nu hoef je tenminste niet meer amechtig te proberen nog een klein beetje lucht binnen te halen.
Maar je bent wel dood. Maar zolang er aan je gedacht wordt ben je niet overleden en voorlopig zal ik je wel niet vergeten, want je zit diep in me. Lichamelijk, ze zeggen dat ik op je lijk, maar vooral geestelijk. Jouw normen en waarden heb je er diep ingebracht. Ik denk dan aan a-woorden als anarchie, atheist, anti-autoritair, anti-uniform, ze zijn me niet onbekend. Ook niet a-woorden als cynisme ken ik.
Nu al valt me op dat mijn reageren door jou beinvloed is en dat zal voorlopig wel niet veranderen. Zolang er aan je gedacht wordt ben je niet overleden, dus voorlopig zit dat wel goed.
Maar je bent wel dood. Als ik thuis kom is je stoel leeg, de asbak is leeg en de fles sherry zal wel niet meer leeg raken, toch angstig.
Maar maak je niet druk, ik sla me er wel doorheen.
En wat jou betreft, bedankt.
Mijn vader sterft; als ik zijn hand vasthoud,
voel ik de botten door zijn hand heen steken
Ik zoek naar woorden, maar hij kan niet spreken
en is bij elke ademtocht benauwd
Dan schud ik de kussens en verschik de deken
waar hij met krachteloze hand in klauwt;
ik blijf zijn kind, al word ik eeuwen oud,
en blijf als kind voor eeuwig in gebreke.
Wij volgen een voor een hetzelfde pad,
en worden met dezelfde maar gemeten;
ik zie mijzelf nu bij zijn bed gezeten
zoals hij bij zijn eigen vader zat;
straks is hij weg, en heeft hij nooit geweten
hoe machteloos ik hem heb liefgehad.

